De Morgenster-zaden

Start
Omhoog

 

Onderhoud

 In de beginperiode is het van doorslaggevend belang dat de gewenste soorten een stevig wortel­stelsel kunnen ontwikkelen. Bloei kunnen we pas vanaf het tweede jaar verwachten.

Als gezegd: Hoe voedselarmer onze uitgangssituatie is, en hoe minder onkruidzaden er - door onze voorbehandeling - in zijn overgebleven, hoe beter het is.

Wanneer zich in het eerste jaar al snel allerlei onkruiden en grassen explosief ontwikkelen is dat een teken, dat de grond voedselrijk is, en het valt dan te betwijfelen of we op deze ondergrond wel een blijvend geschakeerde bloemenweide mogen verwachten. Indien nodig kunnen we op kleine oppervlakten in de eerste zomer ongewenste soorten wat uitwieden, waarbij we verstoring van de bodem zoveel mogelijk vermijden - knippen of licht zeisen is de aangewezen weg. Als het niet anders kan zou de vegetatie in de eerste zomer kunnen worden afgeknipt of gemaaid tot een hoogte van 8 - 10 cm. Dit laatste om de nog jonge planten te ontzien. Bij een geschikte ondergrond hoeven we echter pas in de nazomer of herfst voor het eerst te maaien; in ideale gevallen zelfs pas in de volgende zomer of nog later! Vanaf het tweede jaar kunnen we overgaan tot een jaarlijks terugkerend maaibeheer, waarbij we, al naar gelang de voedselrijkdom van de bodem, twee maal of één maal per jaar maaien. Bij kleinere oppervlakten is maaien met een zeis of handsikkel de voor de vegetatie beste methode; eventueel kan men zich redden met een heggeschaar. Bij grotere terreinen is maaien met de maaibalk het beste; bij gebruik van een cirkelmaaier moet de maaihoogte zo hoog worden ingesteld, dat de kostbare zode niet beschadigd wordt. Klepelmaaiers komen voor ons doel niet in aanmerking.

Het maaisel kan in de zomer eventueel enkele dagen blijven liggen tot het hooi is, zodat narijpen­de zaden zich nog kunnen verspreiden, en wordt daarna afgevoerd. In het najaar voeren we het meteen af. Laat het maaisel nooit langere tijd of permanent liggen - dit heeft verrijking van de bodem tot gevolg en leidt daarom tot verruiging.

Voedselrijkere bloemenweiden worden over het algemeen twee keer per jaar gemaaid: de eerste keer na de zaadzetting van de hoofdbloei, meestal na eind juni of wat later, en een tweede keer in het najaar. Bij grotere oppervlakten kan om bloemspreiding te krijgen een deel van de begroeiing ook al in de tweede helft van mei of begin juni worden gemaaid. De vegetatie wordt gekenmerkt doordat de meestal forse grassen en kruiden tegen het eind van juni een nogal dichte massa vormen, merendeels hoger opgaand dan een halve meter. De vegetatie van schralere bloemenweiden is omstreeks juni/juli ijler en lager, soms zelfs veel lager dan een halve meter. Deze graslanden hoeven slechts éénmaal, in het najaar, te worden gemaaid. Om practische redenen wordt vochtig schraalland bij voorkeur wat eerder, vanaf de tweede helft van augustus, gemaaid.

Regelmatig maaien en afvoeren van het maaisel werkt verschralend; een verarmend effect ervan zien we echter meestal pas op de langere termijn en vooral op toch al minder voedselrijke bodem. Met name op zandgrond is er nogal wat resultaat van te verwachten. Verwacht echter niet, louter door afvoeren van het maaisel, binnen afzienbare tijd een zeer voedselrijke grond tot een schraal, bloemrijk grasland te kunnen omtoveren!

Betreden van de vegetatie heeft verstoring tot gevolg en moet zo veel mogelijk worden vermeden. Wel is het mogelijk een vast paadje door de begroeiing te maaien. Het regelmatig kort houden van een smalle strook gras aan de randen van de begroeiing kan gedurende het groeiseizoen een verzorgd accent aan het geheel geven.

Copyright © 2004-2012 De Morgenster-zaden
Alle rechten voorbehouden.