|
Bloemrijk grasland
Het
scheppen van een uitgangssituatie
Naarmate
de beschikbare grond relatief armer is heeft ze dus een grotere waarde als basis
voor bloemrijk grasland: in de aanlegfase zal een minder explosieve
onkruidontwikkeling optreden, er is een hogere rijkdom aan soorten mogelijk, en
op den duur zal een minder intensief onderhoud vereist zijn. Op voedselarme
grond kan men ook met geringe hoeveelheden van andere grondsoorten al voor de
begroeiing waardevolle gradiënten maken. Maar ook hier is alles ‘tot
daaraan toe’. Extreem arme en droge gronden zijn voor een echte bloemenweide
weer minder geschikt. Dit kan eventueel verholpen worden door een lichte
vermenging van de bovenste vijf tot tien centimeter met 10% tot soms 30% wat
rijkere grond.
In
de meeste gevallen zullen we echter te maken hebben met een overheersend
voedselrijke bodem. Brengen we daar op bepaalde plaatsen voedselarme grond aan,
dan zal dat in veel dikkere lagen moeten gebeuren, omdat voedselrijke, basische
en kalkrijke grondsoorten nu eenmaal sterk de neiging hebben voedselarme, zure
en kalkarme te gaan domineren. Dat is ook een reden, waarom - in verband met
uitspoeling etc. - de laatste hoger gesitueerd moeten zijn dan de eerste.
Willen
we mogelijkheden scheppen voor een meer soortenrijke begroeiing dan kunnen we
bijvoorbeeld goed werken met gewoon stratemakerszand. De op te brengen laag moet
voor duurzaam resultaat, met name op rijkere ondergrond, wel minstens 50
- 60 cm. dik zijn. (Voor een terreintje van 10 m˛ zou dus op z'n minst 5 m3
zand moeten worden aangeschaft).
Een
andere mogelijkheid is, dat we door diepspitten de rijke bovenlaag onder-, en
een eventueel aanwezige armere onderlaag boven brengen. Tenslotte kunnen we waar
de grondwaterstand het toelaat de voedselrijke bovenlaag ook afgraven tot we een
armere onderlaag bereiken. De afgevoerde grond kan dan elders in de tuin,
bijvoorbeeld in een stinsemilieu, weer worden gebruikt.
Op
zeer voedselrijke grond kan het bijzonder moeilijk blijken door zaaien een wat
soortenrijkere begroeiing in het leven roepen.
De
in de bodem aanwezige onkruidzaden zullen zich dikwijls snel en explosief
ontwikkelen, zodat de gewenste soorten, die meestal (veel) later tot
ontwikkeling komen, in de kwetsbare beginfase aan te sterke concurrentie zijn
blootgesteld. Ook over langere duur gezien, stelt voedselrijke bodem beperkingen:
sterke grassen e.d. zullen bijvoorbeeld vaak de overhand krijgen en slechts voor
soorten als berenklauw en fluitekruid bestaat dan een mogelijkheid, zich te
handhaven. Het slagen is afhankelijk van allerlei sterk verschuivende plaatselijke factoren: samenstelling, mate en variatie van voedingszouten in de bodem, zanderigheid van de grond, vochtigheidsgehalte en gemiddelde temperatuur ter plaatse kunnen een doorslaggevende invloed op het resultaat uitoefenen. Algemene richtlijnen of garanties zijn hierbij moeilijk te geven; alleen in de situatie zelf is te bepalen of het inzaaien van een mengsel voor voedselrijke grond zinvol is.
Als
gezegd is het scheppen van variatie in het milieu bevorderlijk voor de variatie
aan soorten. Geleidelijk zou de bloemenweide kunnen overgaan in een lager
gelegen vochtige begroeiing, die weer aan een vijvertje kan grenzen. En waar we
een minder frequent maaibeheer toepassen - bijvoorbeeld aan randen of op de
overgang naar bos of struikgewas - kan een begroeiing met ruigtekruiden ontstaan. (Met dank aan † Rob Leopold van Cruydt-Hoeck) |
Copyright © 2004-2010 De Morgenster-zaden
|